Internationale vrouwendag

Het is vandaag internationale vrouwendag. Op die dag moet ik aan één vrouw denken, mijn vriendin, Chiara. We zijn ongeveer vijf jaar samen. Een precieze datum hebben we niet, het was ergens tussen januari en mei. We vieren al ruim twee maanden feest.

Ze werkt minstens veertig uur in de week bij de Universiteit van Amsterdam. Ze promoveert op kind-robot-interactie. Het is vooral aan haar inkomen te danken dat we in een mooi appartement in Amsterdam wonen en af en toe iets leuks kunnen doen buiten de deur. Laatst vroeg iemand: vind je het niet vervelend dat je vriendin meer dan jij verdient. En slimmer is. Ik zei: nee.

Na een werkweek lig ik weleens op de bank. Gesloopt, uitgeteld, medelijden met mezelf. Chiara maakt dan een rondje door het huis, vist mijn kleding onder de eettafel, langs het bed of naast de wasmand vandaan en doet de was. Ruimt de vaatwasser uit. Haalt weekboodschappen. Kookt. Maakt de badkamer schoon. Oppert naar de gamma te gaan: even jaloezieën halen. ‘Kunnen we vanavond best ophangen, toch?’

Ze houdt de financiën bij. Bewaart niet alleen haar bonnetjes en jaaropgaven in een mapje, maar ook die van mij. Struint internetpagina’s af op zoek naar leuke hotels voor vakantie. Heeft ineens een muur geverfd. De vloer gedweild. Een verrassingsfeestje voor mijn afstuderen georganiseerd. Mijn schoenen schoongemaakt, waardoor ze weer als nieuw lijken.

Wanneer ik eens stofzuig, wacht ik de hele dag tot Chiara thuiskomt. Dan wijs ik trots naar de schone vloer. Armen gespreid, klaar om het compliment in ontvangst te nemen. Wanneer Chiara het huis heeft schoongemaakt, valt het me vaak niet eens op. Ze zegt er ook niets over.

Ze leest alle artikelen die ik schrijf. In de krant, maar ook tijdens het schrijven, wanneer ik twijfel of mijn stuk wel goed is. Krijg ik een kantlijn terug met opmerkingen. Ze is keihard. Maar daardoor weet ik: wanneer ze zegt dat het leuk is, is het leuk. Wanneer ik iets van haar lees, begrijp ik het vaak niet.

Wanneer ik zou doen wat Chiara doet, zou ik wegkwijnen in zelfmedelijden. Ik zou me ziekjes voelen. Overspannen raken. Roepen hoe oneerlijk het leven is. Dat mijn vrije tijd wordt opgeslokt. Vrienden te weinig zie.

Intussen rijgt Chiara het ene na het andere wetenschappelijke artikel aan elkaar en gaat naar conferenties in China en Amerika. En ziet haar vrienden. Bezoekt familie in Brabant. Gaat zelfs langs bij haar opa’s en oma’s. Ik beweer daar nooit tijd voor te hebben.

Dat maakt me ongelooflijk trots. Maar ook boos. Omdat slechts 19 procent van alle hoogleraren vrouw is en mannen zeggen: wij kunnen daar niets aan doen, we kiezen nu eenmaal voor de beste. Omdat Chiara een week lang zonder te klagen naar haar werk gaat terwijl ze kapotgaat van de ongesteldheidskramp en mannen zeggen: stel je niet aan.

Omdat mensen het grappig vinden dat ik financieel afhankelijk ben van mijn vriendin. Of me vragend aankijken wanneer ik zeg: ik zou best wat minder willen werken als Chiara carrière wil maken. (wat ze overigens nooit zou toelaten, want zo belangrijk vindt ze haar werk helemaal niet).

Maar ook boos op mezelf: omdat ik veel lieve dingen die Chiara doet, als vanzelfsprekend zie. Daarom ook deze tekst. Omdat ‘dankjewel’ zeggen nu eenmaal makkelijker is op papier, dan in het echt.

Een staande ovatie

Ik zit in college. Een meisje komt binnen en voordat de docent begint met doceren, mag ze een kort praatje houden. Het gaat over een evenement dat ze namens haar studievereniging organiseert. We moeten allemaal komen. Het is echt heel leuk. En je leert dingen. Ze dreunt haar tekst op in zeer gebrekkig Engels. Na een minuutje is ze klaar. De zaal begint te klappen. Wat zeg ik, ze krijgt een staande ovatie. Achter me fluit iemand op zijn vingers.

Is dat nou nodig, denk ik dan. Het roept zoveel verwarring op. Dat meisje had geen idee wat haar overkwam. Ze maakte maar een ongemakkelijke buiging en zwaaide richting de studenten. Daarna verliet ze de collegezaal met flink wat airin haar loopje. De verhalen doen de ronde dat ze nu een carrière als presentatrice overweegt. Of toch het theater in. Ze weet het nog niet.

En dan de docent. Die was helemaal van slag. Arme man. Iedere week geeft hij een college dat precies anderhalf uur duurt. Hij stopt daar al zijn ziel en zaligheid in: foutloos Engels, een humoristische ondertoon, hier en daar een korte video en ook van wat interactie met de student is hij niet vies. En niemand die ooit voor hem heeft geklapt. Dat raakt ‘m. Hij heeft sindsdien ook geen college meer gegeven. Van tegenslag herstelt men, maar deze diepe wond is niet meer te genezen.

In de huidige hiphopscene is iedereen een goede rapper

De kwaliteit van Nederlandse hiphop holt achteruit. Wie snijdt nog maatschappijkritische onderwerpen aan, zoals Fresku? Wie timmert nummers nog dicht met vernuftige, poëtische tekst, zoals Typhoon en Ares? Wie rapt nog uit het hart en niet uit winstoogmerk, zoals Sticks, Winne en Jiggy Djé deden. Hiphop verwierf ooit respect omdat het bewustzijn creëerde, sociale misstanden aankaartte en politiek was geëngageerd. Nu is het een middel om snel geld te verdienen.

Toen ik zag dat vlogster Famke Louise zich tegenwoordig profileert als rapper, en daar ook nog succesvol mee is, moest ik even op de bank liggen met een nat washandje op mijn voorhoofd. ‘Waar is het misgegaan’, bonkte door mijn hoofd terwijl een sliertje kwijl langs mijn wang droop. Die vraag is makkelijk te beantwoorden: Veel (nieuwe) hiphopliefhebbers maken geen onderscheid meer in kwaliteit. Ze pareren kritiek op rappers met: ‘De ene rapper is niet slechter dan de ander, ze verschillen gewoon van stijl. Hiphop evolueert’. Of een andere dooddoener: ‘Dit is wat mensen anno 2018 leuk vinden, straks is het weer iets anders. Cultuur is constant in beweging.’

Maar het één sluit het ander niet uit. Cultuur beweegt, hiphop evolueert, en tegelijkertijd kan het inboeten aan kwaliteit. Dat is een constatering die veel hiphopluisteraars liever in het verdomhoekje schuiven. Want iets waar zoveel mensen naar luisteren, dat kan toch niet slecht zijn? Dus besluiten we dat Boef niet ‘slechter’, maar ‘anders’ is dan Fresku. Met die logica kun je Famke Louise ook niet als slechter bestempelen dan Boef. Ze is anders. Voor je het weet creëren we een hiphopscène waar geen slechte rappers meer bestaan. Enkel verschillende stijlen.

Hiphop verdient meer dan dat. Het gros van de nieuwe generatie rappers, zoals Broederliefde, Lil Kleine en Boef, houdt zich tekstueel gezien op de vlakte. Hun doelgroep moet niet in de war raken van complexe rijmschema’s, maatschappijkritische onderwerpen of verhalen gespekt met metaforen. De nadruk ligt niet op een harde verse, maar een aanstekelijk refrein. Voeg daar autotune, wat onverstaanbaar gemompel en een groot aantal online volgers aan toe en het commercieel succes volgt. Daar is niets mis mee, maar hiphopliefhebbers die deze rappers op dezelfde hoop gooien als rappers die wel kwaliteit leveren, kan ik niet serieus nemen.

Het genre heeft een verkeerde afslag genomen. We kunnen wachten tot het zich te pletter rijdt, of proberen zoveel mogelijk bij te sturen. Er zijn onafhankelijke poortwachters nodig die rappers becommentariëren. Zoals recensenten boeken en gedichtenbundels beoordelen. En dan verwijs ik niet naar de Edisonjury, die de plaat ‘Rémi’ van Ronnie Flex een ‘modern meesterwerk’ noemde. Het ophemelen van beperkte rappers zette de deur op een kier voor Vlograppers als Famke Louise. Nu is het tijd die deur voor eens en altijd dicht te smijten.

Kappen, Tanja!

‘Tanja, kap daar eens mee’, verzucht Theo. Panikerend kijkt hij om zich heen. ‘Verdomme Tanja, er zijn hier mensen aan het eten.’

Chantal is net begonnen aan haar tweede pizzapunt wanneer de sigarettenrook van Tanja in haar gezicht wordt geblazen. ‘Gadverdamme’, brult Chantal met de nadruk op de twee laatste lettergrepen. ‘Doe dat ding eens uit, joh. Ik zit hier te eten.’

Tanja zet haar sigaret stevig aan haar lippen en neemt een flinke hijs. Provocerend blaast ze de rook naar Chantal. ‘De lucht is van iedereen, meisje. Of heb jij deze lucht gekocht? Dan moet je het zeggen, hoor. Dan trap ik ‘m nu nog uit.’

Chantal is even stil. De lucht boven dit terras heeft ze inderdaad niet gekocht. Ontgoocheld kijkt ze naar Rob, die doorgaans niet vies is van een gevatte opmerking, maar nu enkel oog heeft voor zijn grillburger met truffelmayonaise.

Het broodje bal en de salade met geitenkaas worden geserveerd.

Als het zo moet dan kan ze het krijgen, denkt Chantal. Ze vist een pakje Marlboro Gold uit haar handtas en steekt er een op. De rook blaast ze in de richting van Tanja en Theo.

‘Godsamme’, mompelt Theo. ‘Ik zit hier net aan mijn broodje bal. Zie je nou wat ervan komt?’ Hij werpt zijn vrouw een verwijtende blik toe. Tanja zet haar zonnebril af en kijkt de minstens twintig jaar jongere Chantal intimiderend aan. ‘Je hebt de verkeerde uitgekozen, meisje.’

Tanja schuift haar salade voor zich uit en steekt twee sigaretten in haar mond. Haar stoel zet ze naast die van Chantal. Ze is nu dertig centimeter van haar verwijderd. Ze inhaleert diep en blaast de sigarettenrook langzaam uit over de pizza van Chantal.

‘Rob. Rob! Hier, pak aan.’ Chantal geeft Rob drie sigaretten. Zelf propt ze zes sigaretten tussen haar lippen. Ze steekt ze allemaal aan, leunt daarna over de tafel om ook Rob zijn sigaretten aan te steken. Met haar vingers telt ze af: drie, twee, één.

Een grijze, troebele sigarettenwolk ter grootte van een bestelbus drijft richting Tanja. ‘Trut’, krijst Tanja, terwijl ze met haar armen wild om zich heen slaat. Het is te laat. De wolk slokt haar op. Theo kijkt verdwaasd op van zijn broodje bal en ziet zijn vrouw niet meer. Alleen een grote, grijze wolk.

Een minuut later trekt de wolk weg. Tanja is er niet meer. Op haar stoel ligt alleen nog een bonk geitenkaas.

De tranen van Wout Weghorst

Een paar uur voor de wedstrijd trekt Wout zich terug in zijn slaapkamer. Hij knipt het licht uit en gaat onder de dekens liggen. Daar visualiseert hij zijn winnende doelpunt in een kolkende Kuip. Het is de tachtigste minuut wanneer een voorzet vanaf de linkerflank richting de tweede paal zoeft. Hij sprint naar voren, torent boven de verdedigers uit en kopt de bal tegendraads tegen de touwen. Met twee armen de lucht in rent hij naar de meegereisde AZ-supporters en valt ze in de armen. Ze zullen feesten tot diep in de nacht.

Het mag niet zo zijn. AZ verliest kansloos met 3-0 van Feyenoord. Wout is gebroken. Een jongensdroom in duigen. Uit pure teleurstelling staart hij apathisch voor zich uit, niet in staat zijn gevoelens onder woorden te brengen voor de camera van FOX Sports. De mensen thuis vinden het vervelend dat Wout zoveel emotie toont. Het is een theatraal mannetje. Iemand die de schijnwerpers opzoekt met een ‘kijk mij eens verdrietig zijn’-toneelstukje. Ze snappen niet dat Wout een verloren voetbalwedstrijd niet kan relativeren. Wout snapt dan weer niet hoe die mensen na een verloren pot monopoly weer gezellig aanschuiven voor het avondeten.

Ze zeggen dat het karakter van Wout bijna uit zijn voegen barst door de hoeveelheid passie en strijdlust die erin is verwerkt. Hij laat liever zijn been amputeren dan dat hij een finale verliest. Dat is een ongrijpbaar fenomeen voor de mensen thuis. Ze willen best emotie zien, maar niet te veel. Het moet wel leuk blijven.

Daar schuilt ons probleem. Oprechte emotie, doorgeslagen passie, doodziek zijn van een verloren finale. Die mentaliteit missen we in Nederland. Kijk naar de Italianen. De ontlading wanneer ze een gevaarlijke voorzet van de tegenstander tot hoekschop verwerken. Buffon en Chiellini zetten nog net geen partytent op in het zestienmetergebied om het te vieren. Met die instelling win je toernooien.

Daarom moeten we Wout Weghorst koesteren. Het is misschien niet de meest sympathieke speler op het veld, maar kende Oranje wat meer voetballers met zijn karakter, hadden we misschien ooit een WK-finale gewonnen.

Meisje op de Wallen

Ze staat zo dicht mogelijk tegen het raam. Rechterhand in haar zij, heup in een knikje. Een fluweelzacht, zwart lint losjes om haar hals geknoopt. Het valt in twee stroken over haar borsten zo groot als golfballen. De stroken komen samen bij haar vagina en kruipen via haar rug terug naar de knoop om haar hals.

Het is zondagmiddag, de klokt tikt bijna drie uur. De lucht boven de Monnikenstraat in Amsterdam kleurt grijs. De smalle, geelgepleisterde straat telt zeven Oud-Hollandse, bruine deuren met ramen naast elkaar. Daarboven rode luifels en rode tl-verlichting. De straat lijkt haar roes van afgelopen nacht nog uit te slapen: de meeste gordijnen zijn gesloten. Het meisje moet concurreren met slechts een ander opengeschoven gordijn, twee deuren rechts van haar.

Haar blonde haren draagt ze in twee knotten bovenop haar hoofd. Haar jukbeenderen zijn puntig, de schouders rank. Ze is tenger gebouwd, maar absoluut geen vel over been. Ze heeft dunne lippen, een spits neusje en bruingroene ogen waarboven middellange nepwimpers vakkundig zijn aangebracht.

Met open mond kauwt ze kauwgom. Haar blik volgt de mannen die door de straat lopen. Ze lacht niet. Zwaait niet. Tikt niet op het raam, geen gekke gebaren. Ze probeert de mannen te verleiden met haar blik, die zo strak is dat het bijna boosheid uitstraalt. Ze ziet eruit als een meisje dat je rug streelt als je verdrietig bent, maar je arm breekt als je haar te weinig betaalt. Wanneer ze oogcontact heeft, frummelt ze met haar vrije hand het zwarte lint opzij. Haar poes voor de helft zichtbaar.

Voor veel voorbijgangers is De Monnikenstraat een tussenstation, geen eindstation. Een groep toeristen dromt langs, daarna een handvol Ajaxsjaals. Oog voor de twee bezette ramen hebben ze niet. Een sterke wietlucht waait door de straat. Gejoel van voetbalfans die in nabijgelegen bruine cafés naar Ajax kijken, rolt de straat binnen. Het meisje krijgt er niets van mee.

Een man van minstens zestig laat zijn hond uit. Formaat kuitenbijtertje. De man heeft een zongebruind gezicht en een witte, volle haardos, net als zijn hondje. Zijn tred verraadt dat de Monnikenstraat geen onbekend terrein is. Hij loopt door de straat zoals mensen door hun woning lopen: ontspannen, dromerig en op de automatische piloot. Hij stapt op het meisje af. Ze opent de deur. Het hondje kwispelt voor zijn baasje uit naar binnen.

De man leunt nonchalant tegen de muur naast haar raam. Zijn linkerhand om de hondenlijn geklemd, de rechterhand hangt losjes naast zijn lichaam. Hij praat een minuut of vijf met het meisje en loopt dan naar de overkant van de straat. Daar knoopt hij de hondenlijn om een paaltje en geeft zijn kuitenbijter een snoepje. Een halfuur later knoopt hij het beestje weer los en lopen ze samen de straat uit.

Altijd alles willen winnen

Mijn vriendin vraagt me weleens waarom ik zo competitief ben ingesteld. Waarom ik overal een wedstrijd van maak. Waarom ik boos wegloop tijdens monopolie, de hele avond chagrijnig ben als mijn bowlingsscore niet boven de 150 punten uitkomt en in zak en as zit wanneer ik niet eerste word bij een potje poker. Ik moet dan altijd denken aan de voetbaltraining.

Toen we twaalf waren, fietsten we iedere dinsdag- en donderdagavond naar de voetbaltraining. Om zes uur spraken we af bij de kerk. Daar discussieerden we over wie welke wielrenner mocht zijn. Favorieten waren: Lance Armstrong, Cadel Evans, Mark Cavendish en Aleksandr Vinokoerov. Om stipt vijf over zes sjeesden we naar het sportpark. Voetbaltasje op de rug, twee handen stevig aan het stuur. Wie als eerste met zijn voorwiel ‘Sportpark de Brand’ binnenrolde, won de etappe. Al snel bleek dat dezelfde vriend altijd won. Toen gooiden we noodgedwongen wat nieuwe, competitieve elementen op tafel. Je kon de etappe winnen en je bekronen tot beste allrounder, maar er was nu ook een sprint- en bergklassement dat je kon winnen. Dat er geen bergen en zelfs geen heuveltjes in Berlicum waren, namen we maar voor lief.

Omstreeks kwart over zes arriveerden we doorgaans op het voetbalcomplex. Om half zeven stapten we het veld op. Daar ruzieden we over wie Van Nistelrooy, Arjen Robben, Jaap Stam of Wesley Sneijder mocht zijn. Om acht uur stonden we klaar voor de terugweg naar huis. Een rustige etappe zat er niet in.

Op een dag kwam de vriend die altijd won met een nieuwe fiets aan. Bijna duizend euro kostte dat ding. Met meer versnellingen, betere remmen, luidere fietsbel, je kent ’t wel. Pislink waren we. Iemand repte zelfs over competitievervalsing. Ondanks alle commotie vertrokken we om stipt vijf over zes vanuit de kerk naar het sportpark. Ik weet nog dat ik razendsnel uit de startblokken schoot en meteen voorin zat, samen met de vriend die altijd won. De eerste bocht naderde. Ik ging van buiten naar binnen en sneed ‘m verschrikkelijk hard af. De spaken vlogen uit zijn voorwiel en hij tuimelde zo een voortuin in. Ik ben toen kei hard doorgefietst en won de etappe. Onze vriend kwam die dag niet naar de voetbaltraining.

Daarna is het leven snel gegaan. Ik werd voor het eerst dronken, ging studeren in Tilburg en over een maand woon ik samen met mijn vriendin in Amsterdam. Maar als ik met mijn vrienden ben, ruziën we over wie het beste is in Catan, tafeltennis of FIFA. ‘Sommige dingen veranderen nooit’, zeg ik dan als mijn vriendin vraagt waarom ik altijd alles wil winnen.

Een setje kleding

Mama zorgde vroeger dat ik me netjes kleedde. Ze is ijdel van aard, en ik had de gewoonte mijn meest verschoten kleding aan te doen op momenten dat het gebruikelijk was wat netter voor de dag te komen. Dus besloot mama om voor speciale gelegenheden een setje kleding op mijn bed te leggen. Meestal een nette broek plus blouse. Ze zweerde hier geen gewoonte van te maken. Ik was geen prins en zij geen bediende, zei ze dan. Maar haar ijdelheid won met speels gemak van haar opvoedkundige principes. ‘Speciale gelegenheden’ werd een rekbaar begrip: als ik naar school, de voetbaltraining of vrienden ging, lag er een setje klaar.

Toen ik op kamers ging moest ze hier noodgedwongen mee stoppen. De eerste twee dagen reed ze er nog voor naar Tilburg, maar na een goed gesprek met mijn vader stopte dat. Wel stuurde ze me dagelijks berichtjes: ‘Heb je nog genoeg mooie kleren’, ‘heb je onderbroeken of sokken nodig?’, ‘let erop dat je geen spijker op spijker draagt’. Ze kocht ongevraagd kleren voor me en stopte deze stiekem in mijn tas als ik op zondagavond weer naar Tilburg vertrok. Het was mijn moeders grootste nachtmerrie dat mensen zouden vinden dat ik er slonzig bijliep.

Maar ze kon niet anders dan erkennen dat ze geen grip meer op me had. Het navelstrengetje was doorgeknipt. Net toen ze zich had neergelegd bij de situatie, zag ze een kleine opening: ik kreeg een vriendin. En ook zij had de excessieve drang zich te bemoeien met mijn kledingdracht, merkte mijn moeder al snel op. Dat vond ze aanvankelijk wel lastig: ze verloor niet alleen de controle, ze gaf het ook uit handen. Maar mijn vriendin won haar vertrouwen. Inmiddels is het een dynamisch duo. De communicatielijnen zijn aangescherpt: mama appt mijn vriendin over mijn kleding, samen besluiten ze wat ik nodig heb en mijn vriendin regelt dat dan. De lange arm van mama is zichtbaarder dan ooit.

Toch is er paniek in de tent. Deze vrijdag is er een speciale gelegenheid: mijn diploma-uitreiking. Mama is ontzettend bang dat ik verkeerde kleren aantrek. Haar schoondochter is op vakantie, dus niemand kan me sturen. Het zweet staat al weken op mijn moeders voorhoofd. Mijn studententijd wordt afgesloten, niet met een diploma, maar met de verantwoordelijkheid dat diploma in de juiste kleding op te halen. Voor het eerst in mijn leven moet ik zelf het juiste setje op bed leggen. Als ik er maar geen gewoonte van maak.

 

Ik word niet snel boos

Mij krijgen ze niet snel boos. Om me heen gebeuren dingen waar een hoop mensen wel heel boos om worden. Laaiend, soms. Ik noem maar iets: het Oekraïnereferendum. Dat was ook niet netjes van Mark. Het volk om hun mening vragen en het dan aan de kant schuiven. Alsof wij, de normale mensen, te dom zijn voor politieke kwesties. Schaamteloos, vond ik het. Maar ik hield me in. Ik dacht: “Tom, je kunt nu boos worden. Je kunt gaan vloeken, met tafels en stoelen gooien, maar wat heeft het voor zin?” Dus ik liet het van me afglijden. Bleef kalm. Bewaarde de rust.

Vandaag lukte dat niet. Ik ben woest. Als ze aan de labeltjes van jongens- en meisjeskleding komen… Dan ga je bij mij echt een paar stappen te ver. Dan ga je een grens over. En zoals ik al zei, ik word niet snel boos, maar zulke rariteiten doen mijn bloed koken. Kijk, vrijheid, daar ben ik helemaal voor. Ik weet het nog goed. Ik was een jaar of vier, at een boterham met pindakaas en dacht bij mezelf: “Vrijheid. Dat is nou een mooi concept. Daar wil ik later wel iets mee. Vrijheid.” En dat gevoel is nooit weggeëbd. Maar dit is vrijheid van een andere orde. Jongetjes in jurken. Meisjes in stoere kleding. En we tolereren het. Nee, erger, we accepteren het. Nee, nog erger, we moedigen het aan. Ouders huppelen hand in hand door de stad wanneer hun zoontje een jurk aantrekt. Een ROZE jurk, het liefst. En dat is de schuld van de Rabobank. En de HEMA. De moraalridders. Politiek correcte jaknikkers.

Ze pakken ons alles af. Eerst zwarte piet. Nu onze vrouw- en mannelijkheid. Waar houdt het op? Ik ben bang, mama. Help me toch. De wereld om me heen verandert. Wat moet ik met die mensen? Mannen die vrouwenkleding dragen. Vrouwen die mannenkleding dragen. Ik wil ze in een hokje stoppen. Maar het PAST NIET. Mijn wereldbeeld. Het was zo helder. Nu is het troebel. Ik snap de wereld om me heen niet meer. Hoe kan ik, rechtlijnig van aard, de kromme lijnen om me heen duiden? Help me dan, mama. Ik ben zo bang.

 

 

 

 

Ze praten harder in Amsterdam

Ik ging vandaag naar Amsterdam. Met de trein. Tijdens mijn reis ernaartoe ontdekte ik iets. Hoe dichter je, geografisch gezien dan, bij Amsterdam komt, hoe harder de mensen praten. Ik kreeg het door ter hoogte van Utrecht. Het meisje naast me begon ineens heel hard te telefoneren. Ik schrok op uit mijn boek. Bleek dat meisje naast me helemaal niet te telefoneren. Het was een ander meisje, aan de andere kant van de coupé. Maar ze schreeuwde zo vreselijk hard door die telefoon. Ik dacht: ze praat met haar demente, maar vooral slechthorende oma. Hoe ze die zinnen door de telefoon smeet, de mensen in Culemborg konden haar horen. “Vast iemand die met haar demente, maar vooral slechthorende oma belt”, zeiden ze daar tegen elkaar. En het had best aandoenlijke trekjes, een kleindochter die nog de moeite neemt haar slechthorende oma te bellen. De meeste maken daar geen tijd voor. Zijn te druk met social media, enzo.  Maar wat bleek: ze belde niet met haar oma, maar met een vriendin. Dat was af te leiden uit de context van het gesprek. En natuurlijk, dat vriendinnetje zou slechthorend kunnen zijn. Die dingen gebeuren. Maar het leek me stug. Wie belt er nu met een slechthorende vriendin? Dat is het lot onnodig tarten. Je stuurt dan een handgeschreven brief. Of een tweetje. Dat wist zij ook.

De trein reed door richting Amsterdam. Het meisje met de telefoon had opgehangen, maar het geroezemoes in de coupé werd luider en luider. De één wilde boven de ander uitkomen en weer een ander boven de één. Een meneer met zwarte puntschoenen schreeuwde zo hard, dat zijn medeklinkers het volume van zijn klinkers niet konden bijbenen. Een klankenkakofonie waar geen touw aan vast te knopen was. Zijn vrouw knikte begripvol, die was het natuurlijk gewend dat haar man lukraak klinkers in het rond gooide. Maar ja, zij was dan ook zijn vrouw.

Ik vluchtte de coupé uit en rende de straten van Amsterdam op. Daar leken de mensen nog harder te praten dan in de coupé. Ik ving een gesprek op. Dat was niet moeilijk op te vangen gezien het volume, maar je moet het toch maar doen. Twee mensen, ik vermoed yuppen, maar dat is een onderbuikgevoel, naderden de apotheose van hun koetjes en kalfjes praatje, en spraken af een meter of tien uit elkaar te gaan staan, zodat ze nog even het gespreksvolume konden opschroeven. Ik verzin dit niet. Ik was erbij. Ik hoorde het ze zeggen: “Loop jij dan even daar naar die hoek toe. Ja, lekker Ruud. Zo gaat-ie goed,” schreeuwde de yup met alles wat hij had. Ruud pakte toen een megafoon uit zijn broekzak en begon sirenegeluiden af te spelen. Toen werd het me te gortig en ben ik snel de sprinter naar Brabant ingestapt. Het moet wel leuk blijven.

Die Amsterdammers snappen dat zacht pratend volk uit de provincie niet. Fluisteraars, vinden ze ons. Altijd maar lispelen, mompelen en smiespelen. Dat kennen ze daar niet. Ze worden er achterdochtig van. Op de terugweg naar Brabant zat ik naast zo’n Amsterdammer in de trein. Hij ging voor het eerst naar Brabant, bij wijze van culturele verbreding, zei hij tegen me. Het was een poosje stil en toen fluisterde hij in mijn oor: “Kijk dan. Hoe hij daar zit. Met zijn malle petje. En zijn vouwfiets. En die vrouw ernaast. Afgrijselijk. Stel je eens voor dat die seks hebben. Ik word er kotsmisselijk van. Echt, kotsmisselijk.” Ik schudde mijn hoofd en zei: “Je megafoon staat nog aan.”